Noorwegen 2004 met de Zwerfbus

Deze reis gaan we vanaf 1 juni doen met de aangepaste bus zoals op de de tweede pagina is te zien. We, omdat er een vriendin meegaat. Zij wilde al langer naar Noorwegen en ik vond het alleen reizen nou niet echt top. We hebben met deze zwerfbus dan altijd een slaapplaats, kunnen iets van keukenactiviteiten doen en buiten creëren we zitruimte met een geïmproviseerde luifel. Noorwegen kent het Allemansrecht zodat je zo nodig ergens onderweg mag bivakkeren. Maar we kiezen voor campings omdat we voor toilet en douche daar toch op aangewezen zijn.  We tuffen naar Denemarken en landen om twee redenen in SkørpingTen eerste voor de camping en ten tweede om de uitlaat te laten repareren. Na de reparatie werd de volgende dag de steven weer in de richting van Hirtshals gedirigeerd. Daar is het inchecken en inschepen bij ColorLine.
We kozen dus niet voor de Storebeld brug en de westkant van Zweden maar een oversteek naar Kristiansand. 

Keurig gedicht toch? Hier smeert men je niet meteen een nieuwe uitlaat aan maar last een stukje pijp er tussen.

De muil van de Ferry. Ongelooflijk hoeveel er mee kan in zo`n schuitje.

Het enige vermeldenswaardige betrof natuurlijk weer de Teutonen. Tijdens het inchecken zag de OberSturmbahnFührer van een groep Motorradfahrer kans om zijn dikke lijf en dikke motor juist vóór een in de rij optrekkende Noor te wurmen. Met brede armgebaren alsof hij een peloton van de Wehrmacht aan moest voeren, trachtte hij de rest te bewegen hetzelfde te doen. Zij-instromen dus, dat heet geloof ik voordringen oftewel a-sociaal gedrag.
Slechts het stugge doorduwen van de Noor voorkwam dat. Aan boord waren wij opnieuw getuige van hoe dit fraaie volkje zich kan gedragen. In een van de hallen kwam onze OberSturmbahnFührer de trap af, zag iemand van zijn groep die blijkbaar van het rechte pad afdwaalde en zoals alleen een Duitser dat kan, riep hij met luide stem een niet mis te verstaan HALT!! Iedereen sprong gelijk in de houding, tenminste dat was toch wel het minste waar hij op rekende maar wat niet gebeurde, en wij schoten in de lach. Het blijven toch bijzondere mensen. 

Wát een mooi landje en bij slecht weer altijd wel een hytte te vinden.

Vlakbij Gjøvik  waar intussen toch volop de zon schijnt. Het is hier heerlijk toeven aan de Mjøsa. Opnieuw hebben wij onze tent aan de bus geknoopt en dat bevalt goed. Gisteren hebben wij dat voor het eerst uitgeprobeerd op de natuurcamping en dat bleek maar goed ook. Als het regent hebben we genoeg ruimte om eronder wat te kokkerellen en te zitten. 
Na het eten kwam een ouwe Teutoon zichzelf presenteren. Ongeschoren en stinkend in de wind stond hij een en ander te beuzelen over zijn overtochten en vorige reis naar de Noordkaap. Dit zat zijnde, probeerde ik wat Nederlandse geintjes over Duitsers op hem uit, maar op mijn vraag waarom de Duitsers 
zo’n grote kop hebben en waarom ze met hun mond dicht worden begraven, schoot mijn compane in de hik van het lachen. 
Toen lukte het mij ook niet meer om mijn verhaal droog af te maken maar ik hielp hem toch door te zeggen dat anders die grote mond er niet inpast en dat het minstens een kuub zand scheelt bij het begraven. Door van tevoren aan te geven dat ook ik eigenlijk een Duitser ben, meende ik de pijn wat voor hem te verzachten. Na nog enig geneuzel, kon ik hem af laten druipen door te zeggen dat ik verder moest met mijn tikwerk. "Rare mensen die Teutonen", zou Asterisk zeggen :-).

Morgen gaan we de 17 op, de oude kustweg die ik nog niet ken. Hoe dat zal gaan, weet ik niet maar zeker niet snel vanwege het aantal veerboten die wij tegen zullen komen. Als het zo blijft waaien, verwacht ik morgen wel een schone lucht. Tijdens onze maaltijd werd langzaam het wolkendek uiteen gereten en kreeg de zon kans om naar de aarde door te breken. Daarbij ontstonden de voor mij zo mooie Noorse luchten die ik deze keer eens heb vastgelegd en die een plekje zullen vinden in dit verhaal en op andere plaatsen, wellicht op het world weird web. Ik had van tevoren besloten de oude kustweg de 17 te gaan volgen en dat doen we ook. Een zeer juiste beslissing want dat is een overweldigend mooie route. Zoals voor veel andere delen van Noorwegen al geldt, is ook hier sprake van een voortdurend wisselend beeld dat je krijgt gepresenteerd. Achter iedere kromming of bocht, na iedere tunnel word je steeds weer verrast door de beeldwisseling. Ga je met uitzicht op een meer of rivier de tunnel in dan kom je eruit terwijl je dan naar imposante bergen of een dal of een fjord zit te kijken. En het gaat maar door.
Er is ook bijna geen recht stuk weg. Omhoog of omlaag, een bocht links of rechts maar steeds glooiend en nooit echt scherp. Onderweg moet ik regelmatig de bus uit om wéér een fantastisch plaatje te maken van de uitzonderlijke wolkenluchten die samen met de zon en het landschap er een fabuleus feest voor het oog van maken. Na Steinkjer dus de 17 op richting Namsos. Wat een rust heerst hier! Nauwelijks verkeer en iedereen houdt zich hier aan de snelheid wat niet zo vreemd is met het Noorse boetebeleid. Dat mogen ze van mij in Nederland ook invoeren. 

Bij Holm komt de eerste veerpont voor een korte oversteek naar Vennesund. Vervolgens komt Horn aan de beurt waar wij een half uurtje mogen wachten. Mógen, want de omgeving verveelt nooit. We steken over naar Anndalsvågen en die overtocht duurt ongeveer tien minuten.  
De volgende boot ligt onder stoom in Forvik en die moet tussen wat eilandjes door manoeuvreren om bij Tjøtta te bereiken. Hier is wel tijd voor een versnapering omdat het drie kwartier varen is. 
Bij Levang komt er weer een korte oversteek van een minuut of tien naar Nesna. Dan komen we op het punt of wij de oude kustweg blijven volgen of dat wij kiezen voor de E-12 naar Moi I Rana om vervolgens via de E-6 richting de Noordkaap te gaan. We besluiten om op de 17 te blijven want het hart is veroverd. Bovendien zullen we de poolcirkel al varend passeren tussen Kilboghamn en Jektvik wat ook aardig is. Eenzelfde symbool als op het vaste land staat hier aan de oever van het eiland Sundøya. 
De boot wacht in Kilboghamn, opnieuw een tocht van ongeveer een uur naar Jektvik. Hier gaat het mis want nu blijkt dat we ruim twee uur moeten wachten op de eerstvolgende boot. 

Om 22.20 rijden we van de laatste boot af en moeten we nog op zoek naar een camping.  
Onderweg worden wij nog vergast op een onemanshow van een vos die op z`n gemak op de weg ligt. Vermoedelijk is het asfalt nog warm van de zon. Hij heeft niet veel zin om op te krassen en loopt langzaam naar de kant van de weg. In de berm gaat hij of zij op een stuk rots staan en laat zich bekijken. Dit alles gebeurt in enkele tientallen van seconden want ik heb niet de tegenwoordigheid van geest om in de ankers te gaan en vaart te minderen om een plaatje te schieten. Jammer, maar bij deze is zijn actie genotuleerd en kunnen wij hem niet vergeten. 
De camping vinden wij om 23.05!! bij klaarlichte dag in Reipå. 
Het blijkt meer de fraaie achtertuin van een huis met wat hytter dan een camping. Zo rustig mogelijk maken wij kwartier maar na een paar minuten staat er een aardige oude dame achter ons die slechts Noors spreekt en dat is wat lastig. We begrijpen dat we onze gang kunnen gaan en morgen zullen we de zaak afhandelen. Ook hier zijn de voorzieningen weer uitstekend te noemen. Ietwat eenvoudig maar zeer netjes onderhouden. 

Hytte Fosbakken en duizenden beessies

We zouden de Saltstraumen bezoeken maar het tij zou ons vier uur laten wachten net zoals verleden jaar en we rijden dus door via Bodø en bij Fauske draaien we de E-6 op. (het wordt pas in 2018 dat bezoek aan deze machtige stroom plaats zal vinden) Die E-6 is veel minder spectaculair dan de 17 hoewel er best wat te genieten valt. We stomen op naar Bognes waar wij weer gebruik moeten maken van een veerpont die ons overzet naar Skarberget. Van daar is het nog 80 km. naar Narvik. In het plaatsje, zeg maar vlek, Fossbakken meldt zich een camping op de kaart en die zoeken we op. Vanwege een manke toestand in de sanitaire voorzieningen kunnen we daar echter niet terecht. Een tiental minuten verder ontwaren wij de camping Solbakken. Daar vinden wij voor Nok 250,= onderdak in een hytte. 
Motormuis Wim verhaalt van zijn tocht over de Lofoten en laat op zijn videocamera wat scènes zien. Dat belooft wat. Ook heeft hij een vaarschema voor Moskenes naar Bodø en dat is erg handig want daar vaart dus ook niet elk uur of elke dag een boot. We zijn nog 653 km. van de Noordkaap verwijderd volgens de wireless GPS van Wim. Wát een fantastisch speeltje dat geen centimeter van de weg onbekend laat. Zeker weten een volgend hebbeding op de lijst van zaken die wij reeds tot ons ijdele bezit mogen rekenen. 

De volgende dag besluiten we om de ruk naar de Noordkaap te maken. Dat lukt met gemak, want ondanks de regelmatige fotostops zijn wij rond 17.00 uur op de plek des onheils. De vrees geen rendieren te zullen zien, wordt niet bewaarheid, integendeel. We zien er steeds meer en veel jonkiesDe foto`s spreken voor zich. Nu pas zie ik door wat voor formidabel landschap ik verleden jaar ben gereden. Het was toen zulk slecht weer dat ik eigenlijk niets van de omgeving heb kunnen waarnemen. 

Een fraai kunstwerk op de Noordkaap gemaakt door kinderen van alle continenten voorgesteld op de grote cirkels.

Onderweg naar de Noordkaap ligt behoorlijk wat sneeuw en als mijn reismaatje mij op een bal wil trakteren zakt ze plotseling tot de knieën weg. Dat is pech, bal weg! Na het bekijken van de zeer fraaie film in de filmzaal kijken wij buiten nog naar wat wilde luchten en worden verrast door een show van drie legerhelikopters. Daarna gaan wij op weg naar een plaatsje wat verder op de kaap. Een schitterende weg met aan beide zijden nog volop sneeuw voert ons er naar toe.
Gjesvaer heet het gehucht en het levert samen met de mini-eilandjes ervóór weer prachtige plaatjes op samen met de wolken en de zon. Rond acht uur gaan wij naar Camping Kirkeporten waar ik verleden jaar ook ben geweest in de hoop een bordje rendier te kunnen nuttigen. Dat blijkt er deze keer niet in te zitten. De baas is alleen en houdt de keuken dicht. Dan ga ik zelf maar aan de slag met Mexicaanse rijst, uien, knoflook, gehaktballetjes, peper, zout en sambal. Een flinke toef tijm leukt de boel nog verder op. Daarbij weer een zakje kroepoek en als toetje wat appel-abrikozencompote van mijnheer Heijn. Samen met een potje koffie, want de drank is in de ban, overleven we deze barre omstandigheden wel weer. 

Wat mij opvalt is dat ik dit jaar erg veel kleintjes zie terwijl dat verleden jaar helemaal niet zo was. Het zijn lieve en aandoenlijke diertjes zoals alle jongvee. Die beesten zijn zo gewend aan mensen, of ze zijn gewoon dom, dat eentje het zelfs bestaat om haar jong te laten drinken terwijl zij midden op de weg staat.
Het droeve resultaat van dat onbegrensde vertrouwen in de mens daarvan zie ik wat verderop langs de kant liggen, een dood vrouwtje. Ook zijn de meeste nog in winterkleed en sommige zelfs nog spierwit, terwijl ze verleden jaar al bijna allemaal in hun nieuwe zomerconfectie liepen te pronken. Onderweg rij ik nog even Honningsvåg binnen omdat ik dat plaatsje al een aantal keren heb bekeken via hun webcam aldaar. Het plaatje, een speelplaats met uitzicht op een straat, blijkt te kloppen. We rijden op ons gemak door naar Karasjok waar wij om een uur of vier aankomen. Meteen maar naar het openluchtmuseum. Een groot woord voor weinig, maar de filmvoorstelling over de Samen is erg aardig. Om kwart voor vijf zijn we klaar en de laatste etappe voert ons langs de zuidkant van de Finnmarksvidda naar Kautokeino. Dit is `n totaal ander landschap dan wat wij tot nu toe gezien hebben. De luchten zijn hetzelfde maar het landschap is vlakker omdat het een hoogvlakte is met hier en daar nog het topje van een berg. Grotendeels toendra met veel berken en plassen of meren. Het lijkt misschien saai maar het heeft z`n eigen charme.
De weg tussen Karasjok en Kautokeino ligt er verlaten bij en blijft dat eigenlijk ook. Slechts af en toe een tegenligger. Bijna 100 km. in je eentje over de weg, waar vind je dat nog? Kautokeino is zoiets als de hoofdstad voor de Samen waarvan er hier ook veel wonen. Af en toe zie je nog iemand in klederdracht maar dat is een uitzondering net zoals je bij ons geen verklede Volendammers e.d. meer ziet. Hier op de camping staat o.a. een “tipi” zo`n typische tent die ze vroeger veel gebruikten. Ik zeg tipi omdat iedereen dan wel weet dat het hier over een tent  gaat in de vorm van een wigwam. 
De camping wordt gerund door Oma en dat is een Samische dame die alleen Samisch, Fins en Oud Noors spreekt. Dat is niet gek natuurlijk, drietalig, maar haar zeer blonde kleindochter neemt het maar over in het Engels.  Morgen moeten we een beetje bijtijds uit ons mandje want de dag voert ons weer naar Narvik als het even kan en dat is een stevige afstand van zo`n 520 km. 

Om elf uur zijn we al in Andenes en wij boeken alvast in voor de walvistoer. Om half vier begint een rondje door het museum met een uitleg over de tocht en de dieren die wij gaan zien. Om vijf uur is de afvaart  maar na een minuut of twintig varen gaat er iets stuk en moeten wij op minimum toeren terug naar de haven. Iets met de gear, de koppeling?, en we kunnen ons geld terughalen bij het kantoor. Het blijkt dat er één schip juist terug is van reparatie en omdat deze nu kapot is, weet men niet of er morgen wel een tocht mogelijk is. Er is een mogelijkheid in Stø om het opnieuw te proberen. Via de kustweg gaan wij terug naar de 82 en vlak voor Maurnes vinden wij een kleine camping. De witte kater is er de baas maar zijn bazin is erg vriendelijk en via het internet duikt zij informatie over Stø op. Ook stuurt zij een mailtje om op voorhand alvast te boeken. De tocht zal om elf uur beginnen en ik schat in dat wij dan minstens om tien uur daar moeten zijn.

Het lukt allemaal en we steken van wal met 11 personen aan boord. We gingen eerst af op een vuurtoreneiland waar duizenden papegaaiduikers huizen, duizenden meeuwen, honderden Cormorans, aalscholvers, zeeleeuwen en vooral een aantal vliegende deuren in de vorm van Witstaart Zeearenden.Het weer begint te verslechteren en in de verte is de voorkant van een regenfront te zien. 
Het eerste slachtoffer van zeeziekte is al gevallen. Het is de Belgische dame die groen en geel van ellende haar reis uit zal moeten zitten. Zij zal zich nog een keer of dertig binnenstebuiten keren. Ook Erik de Hollander gaat voor de bijl en zijn vrouw volgt als wij op de terugweg zijn.
Wij hebben gelukkig nergens last van, integendeel zelfs. Ik heb een onstilbare trek en samen met nog wat onzichtbare rovers eten wij de aanwezige koek en biscuit op. De koffiepot wordt ook regelmatig gefrequenteerd. Allengs worden de golven hoger en als wij op de plaats des onheils, waar een walvis zich meldt, zijn aangeland, blijkt de kapitein eigenlijk terug te willen. Het weder wordt te slecht. Wij kunnen depotvismaar moeilijk onderscheiden bij deze deining, laat staan dat je er een fatsoenlijke foto van kunt maken. Alleen na de waarschuwing dat hij of zij gaat duiken, zien wij een typische walvissenstaart tot ziens zwaaien. Het blijkt nu dat het hier eneMoby Dickbetreft een mannetje dat hier regelmatig wordt gesignaleerd.
De eveneens aanwezige boot van Andenes is al uit het zicht verdwenen als onze kapitein zijn Eleonor de sporen geeft. Hij wil naar huis want het wordt echt te bar. Even nog wordt een tweede of wellicht dezelfde walvis gezien maar mij ontgaat dat helaas. We kunnen niet meer op de voorplecht blijven want binnen de kortste keren ben je drijfnat. Zelfs een verblijf op het achterdek is geen garantie voor droge kleren. Alleen het lage achterdek biedt de mogelijkheid om buiten te staan. 

Het schip moet nu tegen de golven en de deining in terug en dat gaat een stuk langzamer dan op de heenweg. Het steigert als de beste tegen de golven op en Madame gaat nog eens over de reling hangen om de vissen te voeren.  Mijnheer de Belg is naar buiten gevlucht, hij kan de ellende niet langer aanzien. Om de feestvreugde te verhogen gaat de rest aan de vissoep met brood. Een zeer smakelijk hapje dat er wel in gaat. Ook in de keuken en het rommelhok gaat er het een en ander tegen de vlakte maar een kniesoor die daar op let. Zo wordt het nog een wilde rit naar de haven waarbij het ook nog behoorlijk regent. Pas tegen het einde als wij weer terug zijn bij het vuurtoreneiland wordt het iets kalmer en begint de zon weer een beetje te schijnen. Als wij van boord gaan, is iedereen meteen weer beter en de regen is definitief verdwenen. Hoewel wij maar één wallevissenstaart hebben gezien, vind ik het toch de moeite waard geweest. Al was het maar vanwege het hevige zeetje dat wij geheel gratis kregen aangeboden. Als extra verrassing kregen wij ook nog een certificaat waaruit blijkt dat wij ter plekke zijn geweest en nu behoren tot het gilde van de Whale WatchersWij schreven nog een stukje in het gjestebok en dankten de kapitein en onze Spaanse Maria, een biologe die hier haar studie hoopt af te ronden. Ruim na half zeven waren wij weer aan de wal en konden wij op zoek naar een onderkomen voor de nacht.

Over de Lofoten:
We besluiten eerst om een rondje te maken over het eiland waar wij nu zijn, Langøya.
We volgen hoofdzakelijk de 820 naar Straumsnes. Het is even een puzzel om van deze landtong af te komen maar dat lukt dan toch bij Sortland. Verder naar het zuiden via de E-10. 
Bij Skagen is de brug naar Storkmarknes dat op het eiland Hadseløya ligt. Een prachtige constructie die in een boog naar Sandnes draait. De reis gaat verder naar Melbu waar wij de boot moeten nemen naar Fiskebol. We zijn nu op het eiland Austvagøy. Meteen bij Fiskebol draaien we scherp naar rechts om de kustweg aan de noordzijde te volgen. Na een kleine kilometer houdt het asfalt op en begint een onverharde weg van aangereden klei o.i.d. 
We rijden langzaam, hooguit dertig kilometer per uur. We blijven deze weg volgen en komen uiteindelijk weer op de E-10 terecht.  Bij Rörvik komen wij opnieuw een camping tegen en daar zijn wij nu. Morgen 14 juni  rijden we naar Moskenes . Bij Leknes nemen we even een pauze. Verder gaat het van dorp naar dorp en bij Sakisrøy bij Hamøy doemt een aardige vislucht op. Van verrotte vis wel te verstaan. Daar lijkt het sterk op maar de kabeljauw hangt hier alleen maar te drogen tot stokvis. 
Wat valt er nog te zeggen over het natuurschoon? Dat het niet in woorden is te vangen? Dat je er zelf naar toe moet om het in al zijn gedaanten en verschijningen te ondergaan. Dat is misschien wel het beste woord, je moet het ondergaan en beleven om te weten waar iemand over spreekt die er ook is geweest. Uiteindelijk staan wij voor de pont bij Moskenes